Wageningen UR
Kennis Online - Wageningen UR onderzoek voor EL&I

Opvang wintergasten

Algemene gegevens

BO-02-002-018
01 januari 2005
31 december 2008
Active

Doelstelling

Moties van het parlement waarin gevraagd werd maatregelen te treffen tegen de toenemende schade door ganzen en smienten waren voor de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aanleiding om nieuw beleid te ontwikkelen. Het resultaat was dat de Minister van LNV in het najaar van 2003 het Beleidskader Faunabeheer aan de Tweede Kamer kon aanbieden. Enerzijds streeft het Beleidskader naar een duurzame staat van instandhouding van overwinterende ganzen en smienten als uitvloeisel van de internationale verantwoordelijkheid van Nederland voor beschermde soorten (Vogelrichtlijn). Anderzijds geeft het Beleidskader aan dat de omvang en toename van de schade als gevolg van overwinterende ganzen en smienten nu zodanig omvangrijk is, dat beheer noodzakelijk is.

Om de schade door overwinterende ganzen en smienten aan de landbouw te beperken en tegelijkertijd de duurzame instandhouding van deze soorten te waarborgen, is vanaf 2005 80.000 hectare foerageergebied aangewezen voor kolgans, grauwe gans, smient (‘beleidskadersoorten’), brandgans en kleine rietgans (‘mengsoorten’). Om de schade buiten de foerageergebieden ook daadwerkelijk te verminderen, zal optimaal gebruik gemaakt moeten worden van het lerend vermogen van de dieren. Dit betekent: binnen de gebieden zo veel mogelijk rust en voldoende voedselaanbod, buiten de gebieden veel onrust. Er zijn aanwijzingen dat afschot van dieren tijdens het verjagen (“aan verjaging ondersteunend afschot”) voor dit doel effectief is.

Om het Beleidskader te monitoren en evalueren in al zijn facetten is een onderzoeksprogramma ontworpen. In eerste instantie gaat het om een periode van 4 jaar, het onderzoek is in het najaar van 2004 gestart. In grote lijnen gaat het om de volgende 4 onderzoeksvragen:

  1. Foerageren de ganzen en smienten hoofdzakelijk in de aangewezen foerageergebieden en beduidend minder daarbuiten?
  2. Kunnen de ganzen en smienten met de foerageergebieden uit de voeten, m.a.w. gaat het goed met de conditie en aantallen?
  3. Is de regeling voor de boeren werkbaar, m.a.w. werkt de regeling in financieel opzicht en bedrijfsvoering naar tevredenheid?
  4. Zijn de kosten voor LNV beheersbaar en op een acceptabel niveau?

Deze evaluatie geeft vooral een beeld van de ontwikkelingen in de drie seizoenen waarin het nieuwe opvangbeleid geëffectueerd is. Uiteraard ook afgezet tegen de situatie in de jaren daarvoor.

Werkwijze

In 2008 is gewerkt aan de afronding van het project dat sinds 2005 loopt. Naast het veldwerk dat overeenkomstig voorgaande jaren is uitgevoerd in samenwerking met diverse externe partijen, is in 2008 vooral gewerkt aan de analyse en rapportage van alle verzamelde gegevens.

Beoogd resultaat

In de praktijk blijkt dat het merendeel (ca 60%) wordt opgevangen in de daarvoor bestemde gebieden: zo’n 35% in boeren-foerageergebied en 25% in natuurgebied. Het onderzoek laat zien dat er met de huidige verjaagactiviteiten geen verdergaande concentratie in de opvanggebieden is gerealiseerd. In de gewone landbouwgebieden overwintert ca 40%. De aantalontwikkeling van ganzen en smienten is met de invoering van het opvangbeleid niet essentieel veranderd (een jaarlijkse toename in de periode1975-2008 van circa 6%, waarbij zich de laatste 5 jaar een neiging tot stabilisatie lijkt af te tekenen). Uit het onderzoek blijkt dat de hoeveelheid voedsel in de opvanggebieden - ook bij voortgezette aantaltoename - nog voldoende is voor de komende 10 jaar. Daarna ontstaan mogelijk tekorten. Daar zit de beperking voorlopig dus niet. Voorts zijn er geen aanwijzingen gevonden dat de overwinterende ganzen het broeden van weidevogels negatief beïnvloeden.

Aan de opvang van de ganzen en smienten zit wel een kostenplaatje. Jaarlijks betaalt de overheid zo’n € 17 miljoen euro voor de opvang. Die kosten zijn hoger dan vooraf gedacht. Dit komt onder meer omdat de boeren die een beheerpakket afsluiten een hogere vergoeding krijgen . Daarnaast is de schade buiten de gebieden niet afgenomen. Bovendien verblijven de ganzen tijdens hun winterverblijf langer in Nederland en vreten zo steeds meer van het kostbare voorjaargras.

De minister heeft de kamer inmiddels over de resultaten geinformeerd en een beleidsmatige reactie later dit jaar in het vooruitzicht gesteld.

Meer over dit project